De geschiedenis van iets begint zodra er over dat iets geschreven bronnen beschikbaar zijn. Volgens die afspraak begint de geschiedenis van Stad aan ’t Haringvliet in 1359. In dat jaar wordt een gors genaamd De Stadt verkocht door Alijd, vrouwe van Putten en haar man Boudewijn van Praet

aan heer Jan van Heenvliet, heer op Blijdestein. Van deze transactie is een verkoopakte opgemaakt waarvan we een kopie van later datum nog altijd in het archief van het dorp kunnen terugvinden. Het gors is gelegen in de landen van Putten tussen de Vier Heernessen (nu Sommelsdijk en Middelharnis) en de gorzen die later de heerlijkheid Sint Adolfsland zullen gaan vormen (nu Den Bommel en Ooltgensplaat). Uit de vermelding van de lammertienden in de verkoopakte kunnen we opmaken dat het gors wordt verkocht als weidegrond voor schapen.

Regulieren van Rugge
Als Jan van Heenvliet overlijdt gaat het gors over in de handen van zijn erfgenamen, wat betekent dat het nu meerdere eigenaren heeft. Tussen 1404 en 1408 koopt een van de erfgenamen, Hugo van Heenvliet, de verschillende delen van het gors op en schenkt daarvan in 1409 de helft aan het Regulieren Kloosterorde Sint Elisabeth te Rugge nabij Den Briel. Als Hugo’s zoon Jan een jaar later ook de andere helft overdoet aan de monniken van het klooster is het gehele gors in handen van de Regulieren van Rugge.

In de vijftiende eeuw wordt het gors niet bedijkt en heeft het geen permanente bewoners. In 1420 worden de rechten voor het gebruik van het gors uitgebreid. Er mag nu dus meer mee gebeuren dan alleen beweiding met schapen. Op 22 juni van 1422 machtigt Gerrit van de Burch, rentmeester van Putten, de regulieren bij oorkonde dat zij op het gors de Stad het moerdijkrecht mogen toepassen. Dit houdt in dat er vanaf dat moment moernering, ofwel zoutwinning mag worden uitgeoefend. Dit was mogelijk vanaf mei tot en met september en hiervoor moest er rondom het gors een zomerdijkje worden aangelegd. Men stak het veen van het gors uit, waarvan men de turf verbrandde. Uit dit proces hield men as over, sel genoemd. Uit dit sel kon men het uiteindelijke eindproduct, zeezout, winnen. Als men het zout gewonnen had werd het gebied weer aan de zee prijsgegeven.

Ambachtsheerlijke rechten
Op 17 juli 1526 komen de Regulieren van Rugge en heer Andries van Bronckhorst, baljuw van Voorne, overeen dat heer Andries de helft van het gors De Stad zal kopen. Van keizer Karel V krijgt Adries vervolgens de heerlijke rechten over het gebied, wat voor hem aanleiding is tot bedijking van het gors. De kosten van deze bedijking zijn niet inbegrepen bij het bedrag van 850 pond dat Andries de Regulieren betaalt voor De Stad. De lammertienden die nog altijd van toepassing zijn op het gors zullen worden gedeeld: de regulieren een helft en heer Andries een helft.

Pas op 10 september 1527 wordt het gebied uitgegeven en kan het karwei worden aanbesteed. Dit late tijdstip komt door diverse grensgeschillen met de heren van Sommelsdijk en Middelharnis. In de akte van aanbesteding staat dat de aannemers niet alleen belast zijn met het aanleggen van de dijken, maar deze ook tot in lengte van dagen zullen moeten onderhouden. Bij een eventuele dijkdoorbraak zullen de aannemers het herstel van de dijken ter hand moeten nemen. Het gebied zal na bedijking gebruikt gaan worden als korenland en we zien hier dat eventueel herstel van de dijken vóór half maart, dus vóór de zaaitijd, moet zijn voltooid. De bedijking van het gors kan nu echt beginnen.